Gastouderbureau

Meldcode huiselijk geweld

en kindermishandeling


bestemd voor alle beroepskrachten werkzaam

in de branche kinderopvang


Branche Kinderopvang: kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang.



AANGEPASTE VERSIE JANUARI 2018



--------------------------------------------------------------------------------------------------------

De originele Meldcode huiselijk geweld en kindermishandelingen en de bijbehorende handleiding kunt u met de twee links hieronder als PDF's verkrijgen via BOinK - Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang.


Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de handleiding behorende bij de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Inhoudsopgave


Inleiding


Definities


Overeenkomst ter gebruik van de meldcode


I. Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling

       Stap 1:   In kaart brengen van signalen

       Stap 2:   Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van SHG, Veilig Thuis of een

                    deskundige op het gebied van letselduiding

       Stap 3:   Gesprek met de ouder (en indien mogelijk met het kind)

       Stap 4:   Weeg aard en ernst van het huiselijk geweld of kindermishandeling en bij twijfel

                    altijd raadplegen van het SHG of Veilig Thuis

       Stap 5:   Beslissen: zelf hulp organiseren of melden


II. Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind

       Stap 1A: Signaleren

       Stap 1B: Direct melding doen van vermoeden van geweld- of zedendelict jegens een kind bij

                    houder

       Stap 2:   In overleg treden met vertrouwensinspecteur

       Stap 3:   Aangifte doen

       Stap 4:   Handelen naar aanleiding van het onderzoek van de politie

       Stap 5:   Nazorg bieden en evalueren


III.  Route bij signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling

       Stap 1:   In kaart brengen van signalen

       Stap 2:   Melden van het gedrag

       Stap 3:   Beoordelen ernst van het gedrag

       Stap 4:   Maatregelen nemen

       Stap 5:   Handelen

       Stap 6:   Nazorg bieden en evalueren


IV.   Verantwoordelijkheden in het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat


V.    Sociale kaart


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Inleiding


In 2013 is het Besluit vaststelling minimumeisen verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in werking getreden. Dit besluit verplicht organisaties om een meldcode vast te stellen en kennis en gebruik ervan te bevorderen. In het kader van kwaliteitszorg wordt de plicht opgelegd om een meldcode te hanteren voor huiselijk geweld en kindermishandeling, daaronder ook begrepen seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking (ook wel genoemd meisjesbesnijdenis) en eergerelateerd geweld. De verplichting geldt voor organisaties en zelfstandige beroepskrachten in de gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg. Het kunnen signaleren van kindermishandeling is een belangrijke competentie waarover iedere beroepskracht die met kinderen werkt dient te beschikken.

Daarnaast is een wettelijke meldplicht ingevoerd voor een vermoeden van een geweld- of zedendelict jegens een kind door een collega. Dit betekent dat een ouder van een kinderopvangorganisatie (zie definitielijst) wettelijk verplicht is om contact op te nemen met een vertrouwensinspecteur als over aanwijzingen beschikt wordt dat een collega een geweld of zedendelict begaat of heeft begaan en een kind hiervan het slachtoffer is.

De Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor de branche kinderopvang is gebaseerd op het basismodel meldcode: Stappenplan voor het handelen bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Betreffend basismodel is ontwikkeld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en bedoeld voor alle sectoren waar vanuit professioneel oogpunt met kinderen wordt gewerkt.


Deze meldcode is speciaal toegeschreven naar de branche kinderopvang en is bedoeld voor iedereen die werkzaam is binnen deze branche. De meldcode geeft via een stappenplan aan hoe te handelen wanneer er signalen zijn die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling. Daarnaast bevat deze meldcode een route hoe te handelen bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega en een route hoe te handelen wanneer er sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling. Elke stap binnen de routes wordt afzonderlijk uitgebreid toegelicht.


Dit document bevat een overeenkomst die de kinderopvangorganisatie kan invullen waardoor de medewerkers van de organisatie zich binden om met de meldcode en de bijbehorende stappenplannen aan de slag te gaan. Ook is een document toegevoegd waarmee de kinderopvangorganisatie zich bindt ten aanzien van verantwoordelijkheden in het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat. Aangeraden wordt deze documenten binnen de organisatie in te vullen.

De functies binnen de meldcode zijn zo generiek mogelijk beschreven. U kunt er voor kiezen om functies te wijzigen vanuit uw organisatiemodel. Hou hierbij wel rekening met de scheiding van (eind) verantwoordelijkheden en functieniveaus binnen de organisatie. Daarnaast bevindt zich in dit document een sociale kaart die de kinderopvangorganisatie kan invullen. Aangeraden wordt om deze kaart in te vullen, te verspreiden onder de medewerkers en op een voor iedereen binnen de kinderopvangorganisatie toegankelijke en/ of zichtbare plaats neer te leggen.


Bij deze meldcode is een toelichting ontwikkeld: Handleiding behorend bij Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze is bestemd voor alle beroepskrachten werkzaam in de branche kinderopvang. De handleiding geeft achtergrondinformatie en toelichtingen op elementen uit de meldcode. Voordat de meldcode wordt gebruikt is het verstandig eerst de handleiding te bestuderen. De meldcode kan niet zonder de handleiding geïmplementeerd worden binnen de kinderopvangorganisatie. Andersom kan de handleiding niet zonder de meldcode gebruikt worden.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Definities


Kinderopvang

Verzamelnaam voor kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang.


Kinderopvangorganisatie

Waar in deze meldcode gesproken wordt over kinderopvangorganisatie, wordt bedoeld een (kinderopvang)voorziening waar minimaal één van de vier kinderopvangvormen (dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderopvang) wordt aangeboden of sprake is van een voorschool.


Gastouderbureau

Het bureau dat bemiddelt tussen gastouders en vraagouders.


Houder

Degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of gastouderbureau exploiteert.


Directie

Daar waar in deze meldcode en handleiding directie staat, kan ook gelezen worden houder, directeur, bestuur of stichting bestuur.


Leidinggevende

De persoon binnen de kinderopvangorganisatie die leiding geeft aan een of meer beroepskrachten.


Beroepskracht

De beroepskracht die binnen de kinderopvangorganisatie werkzaam is en die in dit verband aan kinderen zorg, begeleiding of een andere wijze van ondersteuning biedt. Hieronder vallen in ieder geval de pedagogisch medewerker, vrijwilliger1, gastouder2, flexwerker, zelfstandige zonder personeel (zzp'er), gedragswetenschapper, leidinggevende, bemiddelingsmedewerker, directie.


_____________________________________________

1 Een vrijwilliger is geen beroepskracht. In deze meldcode kan in sommige gevallen ook vrijwilliger gelezen worden volgens de opgestelde definitie

2 Bij een gastouder wordt in principe niet gesproken over een beroepskracht. In deze meldcode kan echter daar waar beroepskracht staat, ook gastouder gelezen worden.

_____________________________________________


Vrijwilliger

Degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met verzorging, opvoeding en bijdrage aan ontwikkeling van kinderen.


Aandachtsfunctionaris

De beroepskracht werkzaam binnen de kinderopvangorganisatie met specifieke deskundigheid op het terrein van kindermishandeling en huiselijk geweld. Daar waar aandachtsfunctionaris wordt geschreven kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bemiddelingswerker vanhet gastouderbureau, senior pedagogisch medewerker of leidinggevende.


Ouders / verzorgers

De volwassenen of volwassene die verantwoordelijk zijn / is voor de zorg en opvoeding van het kind; ouder(s), verzorger(s), voogd.

Daar waar ouders geschreven wordt, wordt ook verzorgers of ouder / verzorger bedoeld.


Vraagouder

De ouder die zijn kind naar de gastouderopvang brengt.


Gastouder

De natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang aanbiedt. De opvang kan plaatsvinden in het huis van de ouder of de gastouder.


SHG

Steunpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.


Veilig Thuis

Meldpunt kindermishandeling.


Vertrouwensinspecteur

Een vertrouwensinspecteur is werkzaam bij de Inspectie van het Onderwijs. De vertrouwensinspecteur heeft geheimhoudingsplicht en is bij wet uitgezonderd van het doen van aangifte. Voor de kinderopvang is de vertrouwensinspecteur als deskundige aangewezen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een houder van een kinderopvangorganisatie is verplicht om bij een vermoeden van een zeden- of geweldsdelict door een werknemer (met taken belast persoon) de vertrouwensinspecteur te raadplegen.


(Zeden) politie

De enige plek waar aangifte kan worden gedaan van een geweld- of zedenmisdrijf. Politie onderzoekt een vermoeden en doet aan waarheidsvinding.


Volwassen huisgenoot

De volwassen huisgeno(o)t(en) van de gastouder die mogelijk in contact kom(t)(en) met de kinderen die worden opgevangen in het huis van de gastouder.


Bemiddelingsmedewerker

De beroepskracht werkzaam bij een gastouderbureau en die in dit verband bij gastouders en vraagouders bemiddelt en begeleidt.


Hij

Waar gesproken wordt over hij kan zowel hij als zij van toepassing zijn.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Overeenkomst ter gebruik van de meldcode


Aangeraden wordt dat de kinderopvangorganisatie deze overeenkomst invult en ondertekent. De kinderopvangorganisatie geeft hiermee uiting aan het feit dat de meldcode actief binnen de organisatie gebruikt wordt.

Hiermee verbinden de kinderopvangorganisatie en haar medewerkers zich tot het volgen van het stappenplan indien er signalen en zorgen zijn die kunnen duiden op kindermishandeling en/ of huiselijk geweld. Tussen de haakjes dient de naam van de kinderopvangorganisatie ingevuld te worden. Aangekruist kan worden wat van toepassing is binnen de kinderopvangorganisatie.


Het bevoegd gezag van Gastouderbureau Westland


Overwegende:

      ■  dat Gastouderbureau Westland verantwoordelijk is voor een goede kwaliteit van de

        dienstverlening aan zijn kinderen en dat deze verantwoordelijkheid zeker ook aan de orde

        is in geval van dienstverlening aan kinderen die (vermoedelijk) te maken hebben met

        huiselijk geweld of kindermishandeling;


      ■  dat Gastouderbureau Westland een meldcode wenst vast te stellen, zodat de

        beroepskrachten die binnen [ werkzaam zijn weten welke stappen van hen worden

        verwacht bij signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;


      ■  dat Gastouderbureau Westland in deze meldcode ook vastlegt op welke wijze zij de

        beroepskrachten bij deze stappen ondersteunt;


      ■  dat van de beroepskrachten die werkzaam zijn bij Gastouderbureau Westland op basis van

        deze verantwoordelijkheid wordt verwacht dat zij in alle contacten met kinderen attent zijn

        op signalen die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling en dat zij

        effectief reageren op deze signalen;


      ■  dat Gastouderbureau Westland een meldcode wenst vast te stellen, zodat gastouders die

        bemiddeld zijn via deze kinderopvangorganisatie weten welke stappen van hen worden

        verwacht bij signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;


      ■  dat van gastouders die bemiddeld zijn via Gastouderbureau Westland op basis van deze

        verantwoordelijkheid wordt verwacht dat zij in alle contacten met kinderen attent zijn op

        signalen die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling en dat zij effectief

        reageren op deze signalen;


      ■  dat onder huiselijk geweld wordt verstaan: (dreigen met) geweld, op enigerlei locatie,

        door iemand uit de huiselijke kring, waarbij onder geweld wordt verstaan: de fysieke,

        seksuele of psychische aantasting van de persoonlijke integriteit van het slachtoffer,

        daaronder ook begrepen ouderenmishandeling, eergerelateerd geweld en vrouwelijke

        genitale verminking (meisjesbesnijdenis);

     

      ■  Tot de huiselijke kring van het slachtoffer behoren: (ex)partners, gezinsleden, familieleden

        en huisgenoten.

      ■  dat onder kindermishandeling wordt verstaan: iedere vorm van een voor een minderjarige

        bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de

        ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van

        afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen waardoor ernstige

        schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm

        van fysiek of psychisch letsel, daaronder ook begrepen eergerelateerd geweld en

        vrouwelijke genitale verminking;


      ■  dat onder beroepskracht in deze meldcode wordt verstaan: de beroepskracht die voor

        Gastouderbureau Westland werkzaam is en die in dit verband aan kinderen van de k

        inderopvangorganisatie zorg, begeleiding, of een andere wijze van ondersteuning biedt;


      ■  dat onder gastouder in deze meldcode wordt verstaan: de persoon, die in diens eigen

        woning gastkinderen opvangt van de vraagouder dan wel de persoon die bij de

        vraagouders thuis kinderen opvangt;


      ■  dat onder bemiddelingsmedewerker in deze meldcode wordt verstaan: de beroepskracht

        die voor Gastouderbureau Westland werkzaam is en die in dit verband gastouders

        bemiddelt en begeleidt;


      ■  dat onder volwassen huisgenoot gastouder in deze meldcode wordt verstaan: de

        volwassen huisgeno(o)t(en) van de gastouder die mogelijk in contact kom(t)(en) met de

        kinderen die worden opgevangen in het huis van de gastouder.


In aanmerking nemende:

   het Besluit vaststelling minimumeisen verplichte meldcode huiselijk geweld en

   kindermishandeling;

•    de Wet maatschappelijke ondersteuning;

•    de Wet op de jeugdzorg;

•    de Wet bescherming persoonsgegevens;

•    de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen;

•    Beleidsregels kwaliteit kinderopvang;

•    Wijzigingswet kinderopvang 2013;

•    Wet klachtrecht cliënten zorgsector;

•    het privacyreglement van Gastouderbureau Westland;


Stelt het volgende vast binnen de kinderopvangorganisatie:

•    Route bij signalen huiselijk geweld en kindermishandeling;

•    Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega;

•    Route bij signalen seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling.


Tevens neemt de kinderopvangorganisatie de verantwoordelijkheden op zich voor het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat (zie onderdeel IV uit meldcode).

Ook vult de kinderopvangorganisatie de sociale kaart in (zie onderdeel V uit meldcode) en zorgt dat deze toegankelijk is voor de beroepskrachten.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------



I. Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling


Stap 1:    In kaart brengen van signalen

                 De beroepskracht3:

                 •    observeert kinderen en ouders;

                 •    raadpleegt signalenlijst (bijlage 1 en 2);

                 •    bespreekt signalen met aandachtsfunctionaris;

                 •    deelt de zorg met ouders;

                 •    registreert.


_____________________________________________

3 Daar waar in de meldcode gesproken wordt over de beroepskracht, kan ook gastouder gelezen worden.

_____________________________________________


Stap 2:    Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen SHG, Veilig Thuis of een

                 deskundige op het gebied van letselduiding

                 De aandachtsfunctionaris:

                 •    consulteert:

                       •    interne en externe collega’s;

                       •    het SHG, Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding;

                       •    eventueel andere organisaties;

                 •    bespreekt uitkomsten consultaties met ouders;

                 •    registreert.


Stap 3:    Gesprek voeren met de ouder (en indien mogelijk met het kind)

                 De aandachtsfunctionaris:

                 •    de zorg met ouders;

                 •    bespreekt indien mogelijk met het kind;

                 •    registreert.


Stap 4:    Wegen aard en ernst van het huiselijk geweld of kindermishandeling en bij

                 twijfel altijd raadplegen van SHG of Veilig Thuis

                 De aandachtsfunctionaris:

                 •    weegt het risico, de aard en ernst;

                 •    vraagt bij twijfel altijd SHG of Veilig Thuis hierover een advies te geven;

                 •    registreert.


Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen

                 De aandachtsfunctionaris:

                 •    bespreekt de zorgen met ouders;

                 •    organiseert hulp door ouders en kind door te verwijzen;

                 •    monitort of ouder en kind hulp krijgen;

                 •    volgt het kind;

                 •    registreert.


Stap 5b: Melden en bespreken met ouders

                 De aandachtsfunctionaris:

                 •    het vermoeden bij Veilig Thuis;

                 •    sluit bij de melding aan bij feiten en gebeurtenissen;

                 •    overlegt met Veilig Thuis over acties na de melding;

                 •    monitort of ouder en kind hulp krijgen;

                 •    volgt het kind;

                 •    registreert.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling


Stap 1: In kaart brengen van signalen


De beroepskracht brengt de signalen die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling bevestigen of juist ontkrachten in kaart en legt deze vast. De beroepskracht legt ook de contacten over de signalen vast, evenals de stappen die worden gezet en de besluiten die worden genomen.


Bij vroegsignalering worden signalen gezien die duiden op een zorgelijke of mogelijk bedreigde ontwikkeling. Zelden zullen deze signalen direct duidelijkheid geven over de oorzaak zoals huiselijk geweld of kindermishandeling. Het is daarom verstandig uit te gaan van de signalen die de beroepskracht bij het kind of in de interactie tussen ouder en kind waarneemt. Bij het signaleren van huiselijk geweld of kindermishandeling kan gebruik gemaakt worden van de signalenlijsten (bijlage 1 en 2) en de observatielijst (bijlage 4) uit de handleiding.


Het is gebruikelijk om in deze fase in gesprek te gaan met de ouder tijdens haal- en brengmomenten, tijdens een tien-minutengesprek of op een ander gepland moment. Hierbij gaat het vooral om het benoemen van feitelijkheden en zaken die opvallen. Daarnaast kan het kind in de groep geobserveerd worden en de ouder met het kind tijdens contactmomenten.


Alle signalen dienen te worden verzameld waardoor het duidelijker wordt welke zorgen er zijn en of deze zorgen gegrond zijn. De beroepskracht vraagt de aandachtsfunctionaris om te helpen bij het onderbouwen van de signalen.


Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd. Gespreksverslagen kunnen door betrokkenen worden ondertekend. Er kan hiervoor een kinddossier aangelegd worden, dat in een gesloten kast (met slot) of digitaal (met wachtwoord) wordt bewaard. Dit vanwege de privacygevoelige gegevens die worden verzameld. In hoofdstuk 8.5 uit de handleiding worden handvatten gegeven hoe een kinddossier kan worden opgesteld.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van SHG, Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding


De beroepskracht bespreekt de signalen met de aandachtsfunctionaris. Het wordt aanbevolen om advies aan het SHG, Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding te vragen. Dit is een taak voor de aandachtsfunctionaris.


Consultatie is - afhankelijk van de interne afspraken van de kinderopvangorganisatie - mogelijk met de volgende interne collega’s: de leidinggevende, de bemiddelingswerker (van het gastouderbureau), de gedragswetenschapper, de aandachtsfunctionaris of een collega uit dezelfde groep. Extern is consult mogelijk met de jeugdverpleegkundige of jeugdarts van het consultatiebureau of de GGD. Indien de kinderopvangorganisatie deelneemt aan het zorgadviesteam (ZAT) is het ook mogelijk om het kind binnen dit team te bespreken. Tevens kan gebruik worden gemaakt van samenwerking met het Centrum voor Jeugd en Gezin.


Consult bij SHG, Veilig Thuis of deskundige op het gebied van letselduiding

Indien de aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker ook maar enige twijfel heeft over de oorzaak van de situatie en/of eventuele mogelijke onveiligheid bij het kind, kan advies worden gevraagd bij het SHG, Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding. Veilig Thuis kan een eerste weging maken of het terecht is dat er zorgen zijn over deze situatie en of er mogelijk sprake kan zijn van huiselijk geweld of kindermishandeling. Het SHG kan betrokken worden als er zorgen zijn over huiselijk geweld waarbij ouders c.q. meerderjarige huisgenoten betrokken zijn. Wanneer er kinderen bij zijn betrokken zal het SHG echter doorgaans doorverwijzen naar Veilig Thuis. Een deskundige op het gebied van letselduiding kan worden ingezet ter duiding van letsels waarbij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling speelt. Zorgvuldig handelen vereist dat de aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker bij elk vermoeden nagaat of hij advies vraagt bij het SHG, Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding.


Consult bij zorgadviesteam

Voor het bespreken in het zorgadviesteam wordt een intakegesprek met de ouders en/of aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker door het maatschappelijk werk of een ander lid van het zorgadviesteam gevoerd. Door de ouder continu te betrekken en in overleg te treden, is de kans groter dat de ouder gemotiveerd is om de situatie te verbeteren en/of hulp te aanvaarden.


Om het kind ‘open’ (niet anoniem) te bespreken in het zorgadviesteam en met andere externe deskundigen is schriftelijke toestemming van de ouder vereist. Indien de aandachtsfunctionaris in het contact transparant en integer is, is de kans groot dat over deze zaken een open gesprek mogelijk is. In de meeste gevallen wordt toestemming door de ouder gegeven. Gespreksvaardigheid om in gesprek te gaan over zorgen en het vragen om toestemming van de ouder is een specifieke deskundigheid en kan door middel van scholing worden aangeleerd. Ook kan de aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker advies krijgen van het SHG, Veilig Thuis of het zorgadviesteam over het in gesprek gaan met de ouder. Indien de ouder weigert, is dit een zorgelijk signaal en moet het worden meegenomen in de weging (stap 4). Het kind kan overigens anoniem worden besproken wanneer de ouder geen toestemming heeft gegeven, maar dit verdient niet de voorkeur vanwege de eventuele vervolgacties. Meer informatie over samenwerking met andere organisaties is te vinden in hoofdstuk 7 van de handleiding.


Vanaf stap 2 is het raadzaam registratie in de Verwijsindex Risicojongeren te overwegen indien de kinderopvangorganisatie op dit systeem is aangesloten. Meer informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 1.4 van de handleiding.


Noodsituaties

Bij signalen die wijzen op acuut en zodanig ernstig geweld dat het kind of een gezinslid onmiddellijk moet worden beschermd, kan meteen contact worden opgenomen met Veilig Thuis. Veilig Thuis maakt dan een inschatting van de ernst van de situatie. Voor noodsituaties is Veilig Thuis 24 uur per dag bereikbaar. In zeer ernstig dreigende situaties kan Veilig Thuis een melding overdragen aan de Raad voor de Kinderbescherming. Bijvoorbeeld als een kind met verwondingen naar het ziekenhuis moet en de ouders willen het niet meegeven of weghalen uit het ziekenhuis. In een dergelijke situatie kan er heel snel een voorlopige ondertoezichtstelling worden gevraagd zodat de ouders (tijdelijk) het gezag niet hebben over hun kind.


In noodsituaties kan overigens ook contact gezocht worden met de crisisdienst van Bureau Jeugdzorg en/of de politie gevraagd worden om hulp te bieden. In de handleiding bevindt zich een algemeen overzicht van websites en adressen (zie bijlage 5) van instanties en organisaties waar de beroepskracht terecht kan voor ondersteuning en advies. In deze meldcode is een sociale kaart opgenomen die de kinderopvangorganisatie kan invullen met gegevens uit de eigen regio (zie onderdeel V).


Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 3: Gesprek met de ouder (en indien mogelijk met het kind)


De aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker bespreekt de signalen met de ouders, en indien mogelijk met het kind (eventueel samen met leidinggevende). De kinderopvangorganisatie kan er echter ook voor kiezen dat het gesprek door de beroepskracht wordt gevoerd, eventueel samen met aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker of leidinggevende. In die gevallen wordt het gesprek altijd voorbereid met de aandachtsfunctionaris. Ook kan tijdens de voorbereiding ondersteuning worden gevraagd aan het SHG of Veilig Thuis.


Voor het gesprek met de ouders (en eventueel het kind) kunnen de volgende stappen worden gevolgd:


1.    Leg de ouders (en eventueel het kind) het doel uit van het gesprek;

2.    Beschrijf de feiten die zijn vastgesteld en de waarnemingen die zijn gedaan, geef daarbij

       een waardeoordeel of eigen interpretatie;

3.    Nodig de ouders uit om een reactie hierop te geven;

4.    Kom pas na deze reactie zo nodig en zo mogelijk met een interpretatie van hetgeen er is

       gezien, gehoord en/of waargenomen;

5.    Leg het gesprek vast en laat het indien mogelijk ondertekenen door alle betrokkenen.


In de meeste gevallen is het onduidelijk wat de oorzaken zijn van de signalen. Door ouders te informeren en informatie uit te wisselen over de ontwikkeling van hun kind, kunnen zorgen verduidelijkt, ontkracht of bekrachtigd worden. Nodig de ouders expliciet uit tot het geven van hun mening en vraag door over kindgerelateerde onderwerpen in de thuissituatie. Herkent de ouder de situatie? Hoe gedraagt het kind zich thuis? Hoe reageren de ouders daarop? Hoe gaat het opvoeden thuis? Hoe reageert het kind hierop? Hoe is de ontwikkeling van het kind tot nu toe verlopen? Wat vinden de ouders daarvan? Hoe ervaren de ouders de opvoeding en hun rol als ouders?

Indien de ouders de zorgen herkennen, kan een begin worden gemaakt met het onderzoeken van kansen en oplossingen. Ouders moeten vaak eerst gemotiveerd worden zodat de zorgen over hun kind gedeeld kunnen worden. Het helpt dan om ouders meer informatie te geven over de ontwikkeling van het kind en de effecten voor het kind in de huidige situatie. Pas als ouders niet te motiveren zijn en de zorgen blijven ontkennen is het raadzaam Veilig Thuis om advies te vragen en een melding te overwegen. Het SHG kan betrokken worden als er zorgen zijn over huiselijk geweld waarbij ouders c.q. meerderjarige huisgenoten betrokken zijn. Wanneer er kinderen bij zijn betrokken zal het SHG echter doorgaans doorverwijzen naar Veilig Thuis.


Indien besloten wordt om ook met het kind zelf te spreken, is het van belang dat het kind zich veilig genoeg voelt om het gesprek te voeren. Maak hierbij de afweging of het in het belang van het kind zelf is om dit gesprek te voeren. Hierover kan ook advies worden gevraagd aan het SHG of Veilig Thuis. Beloof tijdens een dergelijk gesprek nooit geheimhouding, maar geef wel aan dat de signalen serieus afgewogen zullen worden. Belangrijk is ook dat het kind niet wordt ondervraagd, maar dat het kind met name de ruimte wordt gegeven om zijn verhaal te vertellen. Zie ook de tips voor gesprekken met kinderen in hoofdstuk 6.1 van de handleiding.

Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 4: Weeg aard en ernst van het huiselijk geweld of kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van het SHG of Veilig Thuis


De aandachtsfunctionaris of bemiddelingsmedewerker weegt op basis van de signalen, van het (extern) ingewonnen advies en van het gesprek met de ouders het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling al dan niet in overleg met leidinggevende. Daarnaast wordt de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling gewogen. Ook moet er altijd overwogen worden of er naar de politie moet worden gegaan. Tenslotte zijn kindermishandeling en huiselijk geweld strafbare feiten.


Voor de weging is het van belang dat de aandachtsfunctionaris in het dossier de signalen, de gesprekken en de stappen beschrijft en vastlegt die al gezet zijn.


Daarnaast zijn voor de weging de volgende factoren van belang:

•    de leeftijd van het slachtoffer;

•    de aard van het geweld;

•    de mate van afhankelijkheid;

•    de duur van het geweld;

•    de verwachting over de schade die wordt aangericht;

•    de mate van isolement waarin het geweld zich afspeelt.


Een weging is altijd persoonlijk, er zijn geen vaste richtlijnen voor. Omdat elke situatie uniek is, is hier geen standaard voor. Wanneer twijfel blijft bestaan over een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling, is het verplicht om het SHG of Veilig Thuis te raadplegen. Het SHG of Veilig Thuis kan helpen een risicotaxatie uit te voeren en kan helpen bepalen of het verstandig is zelf hulp te organiseren of een melding te doen. Dit is ook van toepassing als het om mogelijk eergerelateerd geweld gaat. Zo mogelijk kan ook het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) van de politie om advies worden gevraagd.

In bijlage 5 van de handleiding staat een algemeen overzicht van websites en adressen van instanties en organisaties waar de beroepskracht terecht kan voor ondersteuning en advies. De kinderopvangorganisatie dient zelf de sociale kaart uit deze meldcode aan te passen en in te vullen met de instanties en organisaties die werkzaam zijn binnen betreffende regio (zie

onderdeel V).

Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 5: Beslissen: zelf hulp organiseren of melden


Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen


Als op basis van de afweging in stap 4 genoeg gronden zijn dat het kind en zijn gezin redelijkerwijs voldoende tegen het risico op huiselijk geweld of op kindermishandeling beschermd kunnen worden:

•    bespreek met de ouders;

    organiseer dan de noodzakelijke hulp;  

    volg de effecten van deze hulp en  

    doe alsnog een melding als er signalen zijn dat het huiselijk geweld of de

    kindermishandeling niet stopt, of opnieuw begint.


Dit is de verantwoordelijkheid van de aandachtsfunctionaris al dan niet in overleg met de leidinggevende en/of directie.


Als de kinderopvangorganisatie gebruik heeft gemaakt van het zorgadviesteam, kan het zorgadviesteam verdere actie coördineren. Het zorgadviesteam bespreekt de hulpvraag van kinderopvangorganisatie en ouders, beoordeelt de hulpvraag, stelt een aanpak vast, geeft handelingsadviezen voor de beroepskracht en adviseert over verdere hulp. Ook het CJG kan worden geraadpleegd en hierin adviseren.


De aandachtsfunctionaris binnen de kinderopvangorganisatie bespreekt met de ouders de uitkomst van de bespreking met het CJG of zorgadviesteam. Met de ouders kan gesproken worden over verder te nemen stappen voor hulpverlening voor het kind en/of de ouders. Hierbij is het belangrijk om informatie te geven over de hulpverlenende instanties en of er hiervoor een indicatie nodig is van bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg. De ouders kunnen op deze manier worden doorverwezen. Belangrijk is om bij de ouders en de instantie te informeren of zij ook daadwerkelijk naar de verwijzende instantie zijn gegaan. Leg de gesprekken vast en laat indien mogelijk ouders het gespreksverslag ondertekenen.


Indien er voor een van voorgaande stappen ondersteuning nodig is, dan kan dit gevraagd worden bij het SHG, Veilig Thuis, CJG of zorgadviesteam. De kinderopvangorganisatie kan in het eigen team afspraken maken over de begeleidings- en zorgbehoeften van het kind. De uitkomst van deze teambespreking wordt vastgelegd en met de ouders besproken.


Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 5b: Melden en bespreken met ouders


Kan het kind of kunnen de ouders niet voldoende tegen het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling beschermd worden, of is er twijfel of de kinderopvangorganisatie hiertegen voldoende bescherming kan bieden:

    meld het vermoeden bij Veilig Thuis en;

    sluit bij de melding zoveel mogelijk aan bij feiten en gebeurtenissen en geef

    duidelijk aan indien de informatie die gemeld wordt (ook) van anderen afkomstig

    is;

    overleg bij de melding met Veilig Thuis wat er na de melding, binnen de grenzen

    van de gebruikelijke werkzaamheden, gedaan kan worden om het kind, de ouders

    en mogelijke gezinsleden tegen het risico op huiselijk geweld of op mishandeling te

    beschermen;

    Monitor hierbij of ouder en kind hulp krijgen;

    Registreer.


Dit is de verantwoordelijkheid van de aandachtsfunctionaris al dan niet in overleg met de leidinggevende en/of directie.


Bespreek de melding vooraf met de ouders. Leg uit waarom de kinderopvangorganisatie van plan is deze melding te gaan doen en wat het doel daarvan is. Blijf in het gesprek bij de feiten en constateringen en voorkom interpretaties of waardeoordelen.

1.   Vraag de ouders uitdrukkelijk om een reactie;

2.   In geval van bezwaren van de ouders, overleg op welke wijze er tegemoet kan worden

      gekomen aan deze bezwaren en leg dit in het document vast;

3.   Is dat niet mogelijk, weeg de bezwaren dan af tegen de noodzaak om het kind, de ouders

      en/of mogelijke gezinsleden te beschermen tegen het geweld of de kindermishandeling.

      Betrek in alle afwegingen de aard en de ernst van het geweld en de noodzaak om het kind,

      de ouders en/of mogelijke gezinsleden door het doen van een melding daartegen te

      beschermen;

4.   Doe een melding indien naar het oordeel van de kinderopvangorganisatie de bescherming

      van de ouder of zijn gezinslid de doorslag moet geven.


Van contacten met de ouders over de melding kan worden afgezien:

    als de veiligheid van het kind, één van de ouders, die van de beroepskracht of gastouder zelf,

    en/of die van een ander in het geding is; of

    als er goede redenen zijn om te veronderstellen dat de ouders daardoor het contact met de

    kinderopvangorganisatie zal verbreken.


Indien na enige periode onvoldoende verbetering zichtbaar is, is het van belang opnieuw contact op te nemen met Veilig Thuis en eventueel opnieuw een melding te doen. Veilig Thuis adviseert, indien nodig, meerdere keren contact op te nemen indien er onvoldoende verbetering of verslechtering te zien is.


Inspanningen na de melding

Een melding is geen eindpunt. Als de kinderopvangorganisatie een melding doet, geeft het stappenplan daarom aan dat de aandachtsfunctionaris in zijn contact met Veilig Thuis ook bespreekt wat hij zelf, na zijn melding, binnen de grenzen van zijn gebruikelijke taakuitoefening kan doen om het kind of zijn gezinsleden te beschermen en te ondersteunen. Dit is uitdrukkelijk in stap 5 bij de melding opgenomen om duidelijk te maken dat de betrokkenheid van de beroepskracht bij het kind en ouders en mogelijke gezinsleden na de melding niet ophoudt. Van hem wordt verwacht dat hij, naar de mate van zijn mogelijkheden, het kind blijft ondersteunen en beschermen. Uiteraard gebeurt dit in overleg met Veilig Thuis om zo tot een gemeenschappelijke aanpak te komen.

Veilig Thuis houdt degene die de melding heeft gedaan op de hoogte van de uitkomsten van het onderzoek en van de acties die in gang worden gezet.


Wanneer er sprake is van (een vermoeden van) kindermishandeling in de thuissituatie van één van de kinderen van de kinderopvangorganisatie kan dit ook impact hebben op de (andere) beroepskrachten en andere kinderen. Het is belangrijk dat de betreffende kinderopvangorganisatie hier aandacht aan besteedt, bijvoorbeeld in teamoverleggen of tijdens intervisie.


Interne evaluatie

Het is belangrijk dat de toepassing van de meldcode systematisch geëvalueerd wordt. Dit kan de aandachtsfunctionaris, leidinggevende en/of directie op zich nemen. Aangeraden wordt dat de uitvoering van de evaluatie door een ander wordt gedaan dan degene die actief binnen het proces zelf is geweest.

Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.


Geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om bijvoorbeeld in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele kinderopvangorganisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan.


Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert. Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen dienen schriftelijk te worden vastgelegd.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


II. Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind



Stap 1A: Signaleren

                 De beroepskracht of bemiddelingsmedewerker:

                 •    observeert;

                 •    raadpleegt signalenlijst (bijlage 1, 2 en 3 uit de handleiding);

                 •    registreert.


Stap 1B: Direct Melding doen van vermoeden geweld- of zedendelict door een collega

                 jegens een kind bij houder

                 De beroepskracht of bemiddelingsmedewerker:

                 •    is verplicht het vermoeden van een geweld- of zedendelict door een collega

                     jegens een kind direct bij de houder te melden.


Stap 2:    In overleg treden met vertrouwensinspecteur

                 De houder:

                 •    Moet direct contact leggen met een vertrouwensinspecteur (overlegplicht) indien

                     hij aanwijzingen heeft dat een collega een geweld- of zedendelict begaat of heeft

                     begaan jegens een kind;

                 •    Krijgt advies van de vertrouwensinspecteur over al dan niet doen van aangifte;

                 •    registreert.


Stap 3:    Aangifte doen

                 De houder:

                 •    Is verplicht bij redelijk vermoeden aangifte te doen bij de politie (aangifteplicht);

                 •    Stelt de beroepskracht in ieder geval voor de duur van het onderzoek op

                     non-actief;

                 •    legt een draaiboek aan;

                 •    raadpleegt het Veilig Thuis en /of GGD;

                 •    regelt ondersteuning van kind en ouders;

                 •    volgt het ingestelde onderzoek van de politie;

                 •    registreert.


Stap 4:    Handelen naar aanleiding van onderzoek van de politie

                 De houder of directie:

                 •    rehabiliteert;

                 •    geeft waarschuwing af;

                 •    neemt arbeidsrechtelijke maatregelen4;

                 •    registreert.


_____________________________________________

4 Voor gastouder en vrijwilliger: zie uitwerking in stap 4 van deze route

_____________________________________________


Stap 5:    Nazorg bieden en evalueren De houder, directie of leidinggevende:

                 •    biedt nazorg voor ouders en kinderen;

                 •    biedt nazorg beroepskrachten;

                 •    organiseert ouderavonden;

                 •    verwijst door naar externe hulp;

                 •    evalueert de procedures;

                 •    registreert.


Algemene toelichting


De meldplicht betekent dat een houder wettelijk verplicht is om contact op te nemen met een vertrouwensinspecteur als op welke wijze dan ook over aanwijzingen beschikt wordt dat een collega een geweld- of zedendelict begaat of heeft begaan en een kind is hiervan het slachtoffer. De meldplicht geldt ook voor werknemers. Werknemers zijn verplicht om bij een reëel vermoeden dat een collega zich schuldig maakt aan een mogelijk geweld- of zedendelict jegens een kind dit meteen te melden bij hun werkgever.


Het is aan de houder (= het bevoegd gezag binnen de kinderopvangorganisatie) om te regelen of de houder zelf in contact treedt met de vertrouwensinspecteur of dat een leidinggevende (bijvoorbeeld een locatiemanager of directeur) dat namens hem doet. Daar waar in dat geval houder in deze route staat, kan ook de gedelegeerde persoon staan.



Melding door een medewerker over de houder zelf

Indien de medewerker aanwijzingen heeft dat de houder zelf een geweld- of zedendelict begaat (of heeft begaan) en een kind hiervan het slachtoffer is dan is de medewerker verplicht tot het doen van aangifte bij de politie.

Hij/zij kan hierover in overleg treden met de vertrouwensinspecteur. De vertrouwensinspecteur kan de medewerker begeleiden bij het doen van aangifte.


Melding door een ouder over een medewerker of leidinggevende

Indien een ouder aanwijzingen heeft dat een medewerker of leidinggevende zelf een geweld- of zedendelict begaat (of heeft begaan) en een kind hiervan het slachtoffer is dan kan de ouder contact opnemen met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. Hiernaast heeft de ouder de (reguliere) rechtsplicht om bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit aangifte te doen bij de politie.

De vertrouwensinspecteur zal de ouder adviseren om contact op te nemen met een leidinggevende van de kinderopvanginstelling. Betreft het de leidinggevende dan is het advies om contact op te nemen met de houder.

Er ontstaat bij de leidinggevende van de kinderopvanginstelling een plicht om de houder op de hoogte te stellen van dit signaal. (zie verder onder het kopje aangifteplicht voor houder)


Melding door een ouder over een gastouder / volwassen huisgenoot

De situatie binnen de gastouderopvang wijkt af van de situatie in een kindercentrum, aangezien de gastouder alleen werkt, er in de meeste gevallen geen arbeidsrelatie is met het gastouderbureau en regelmatig een volwassen huisgenoot aanwezig is in de woning waar de kinderen worden opgevangen. Hoewel de bemiddelingsmedewerker de gastouder begeleidt, komt deze tussen de twee en vier maal in de opvangsetting van de gastouder en is de kans op signalering door bemiddelingsmedewerker gering. De melding van een vermoeden van een mogelijk geweld- of zedenmisdrijf zal daarom in de praktijk vooral gedaan worden door de ouder. Zie verder de bijbehorende handleiding, paragraaf 1.3.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega jegens een kind


Stap 1A: Signaleren


De beroepskracht of bemiddelingsmedewerker heeft een vermoeden of een signaal opgevangen of een ander laat doorschemeren dat er iets niet goed zit in de relatie tussen het kind en een collega werkzaam binnen de kinderopvangorganisatie. Onder collega wordt volstaan een houder, directie, leidinggevende, beroepskracht of vrijwilliger volgens de definitie in de definitielijst van deze meldcode.


Niet in alle gevallen waarin beroepskrachten menen dat er niet goed met kinderen wordt omgegaan door een collega, is er sprake van een mogelijk geweld- of zedendelict. Desondanks mag niet aan deze signalen voorbij worden gegaan en zal onderzocht moeten worden wat er bij het kind wordt gesignaleerd.

De beroepskracht of bemiddelingsmedewerker dient altijd direct de houder op de hoogte te stellen van zijn twijfels en niet zelf een afweging te maken.


Vermoedens zijn er in uiteenlopende gradaties. Als de beroepskracht of bemiddelingsmedewerker zich met een dergelijk vermoeden (over een collega ) geconfronteerd ziet, moeten de volgende acties ondernomen worden:

•    Raadpleeg de signalenlijsten in bijlage 1, 2 en 3 uit de handleiding;

•    Registreer dat wat is waargenomen;

•    Leg het signaal direct neer bij de houder (stap 1B van deze route).


Van belang is om betreffende signalen goed te registreren en te beschrijven. Tips over het registreren zijn te vinden in hoofdstuk 8.5 van de handleiding.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 1B: Direct melding doen van vermoeden van geweld- of zedendelict jegens een kind bij houder


Wanneer een beroepskracht of bemiddelingsmedewerker vermoedt dat een collega binnen de kinderopvangorganisatie zich schuldig maakt aan kindermishandeling moet de beroepskracht of bemiddelingsmedewerker dit direct melden bij de houder.


In het stappenplan wordt er van uitgegaan dat een beroepskracht of een bemiddelingsmedewerker een mogelijk vermoeden van kindermishandeling door een collega direct meldt bij de houder. In de praktijk kunnen ook de volgende personen deze melding van vermoeden van kindermishandeling door een collega doen:


a.    Melding door het kind

       Als de melding van een geweld- of zedendelict afkomstig is van een kind, is opvang en

       steun voor het kind het eerste aandachtspunt. De beroepskracht bij wie het slachtoffer de

       klacht meldt, is verplicht dit meteen te melden bij de houder. Deze laat weten discreet te

       zullen handelen, maar belooft geen geheimhouding aan het kind. De houder treedt direct

       (onverwijld) in contact met een vertrouwensinspecteur (zie stap 2 van deze route) Naast

       Veilig Thuis worden zo nodig anderen ingeschakeld voor hulp. De ouders van het betrokken

       kind worden geïnformeerd. Aan de ouders wordt eveneens opvang en steun geboden. Het

       waarborgen van het gevoel van veiligheid van het kind is uitgangspunt van dit handelen.


b.    Melding door de ouder

       Als de melding van de ouders komt, zal deze melding altijd serieus genomen worden. Feiten

       en constateringen zullen bij ouders nagevraagd worden.De beroepskracht geeft de melding

       direct (onverwijld) door aan de houder. De houder treedt direct in overleg met de

       vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs (stap 2 van deze route).

       De ouder kan bij een redelijk vermoeden ook zelf contact opnemen met een

       vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs.


c.     Melding door derden

       Als de melding van derden komt, dient uitgezocht te worden over welke informatie deze

       persoon/ personen precies beschikt/beschikken en waar deze informatie op is gebaseerd. De

       beroepskracht geeft de melding onverwijld door aan de houder. De houder is verplicht om in

       overleg te treden met een vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs (zie

       stap 2 van deze route)


Melding over leidinggevende

Wanneer de melding van toepassing is op de leidinggevende dient door de constaterende beroepskracht direct de houder te worden ingeschakeld.


Melding over de directie

Een bijzondere situatie betreft het geval dat de klacht het gedrag van de directie zelf betreft. Het gaat hierbij immers om de situatie waarin het niet meer mogelijk is om hogerop melding te doen. In dat geval is de constaterende beroepskracht verplicht om aangifte te doen bijde politie. De beroepskracht kan hierover in overleg treden met de vertrouwensinspecteur. De vertrouwensinspecteur kan de beroepskracht vervolgens begeleiden bij het doen van aangifte.

Deze stap dient zorgvuldig geregistreerd te worden.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 2: In overleg treden met vertrouwensinspecteur


De houder is verplicht om direct in overleg te treden met een vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs.


De vertrouwensinspecteur gaat samen met de houder na of er een redelijk vermoeden bestaat en adviseert de houder over aangifte.

Wanneer er geen sprake is van een redelijk vermoeden, is nader onderzoek redelijkerwijs niet aan de orde. De houder zal in gesprek gaan met betrokkenen om de mogelijk verstoorde werkhouding te herstellen. Indien de uitkomst is dat er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een gewelds- of zedendelict dan heeft de houder een aangifteplicht. De kinderen worden dan direct afgeschermd van de betrokken beroepskracht door deze op non- actief te stellen of te schorsen. De houder deelt dit mee aan alle betrokkenen. Zie hiervoor ook de volgende stap in deze route.


De houder is verantwoordelijk voor de registratie in deze stap.


Aangifteplicht voor houder


Indien de houder aangifte doet, treedt de vertrouwensinspecteur terug.

Indien de houder weigert om aangifte te doen terwijl de vertrouwensinspecteur concludeert dat er een redelijk vermoeden bestaat, geldt de volgende escalatieladder:

    1.    Coördinator vertrouwensinspecteurs van de Inspectie van het Onderwijs probeert de

           houder te overreden;

    2.    Hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs probeert de houder te overreden;

    3.    Hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs legt contact met de burgemeester

           (het college van B&W) van de betreffende gemeente;

    4.    De burgemeester zal de (zeden) politie inschakelen dan wel andere activiteiten vanuit zijn

           bevoegdheden initiëren.


NB Het is aan de houder om te regelen of de houder zelf meteen in contact treedt met de vertrouwensinspecteur of dat een leidinggevende of locatiemanager dat namens de houder doet.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 3: Aangifte doen


Indien na het overleg met de vertrouwensinspecteur blijkt dat er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een geweld- of zedendelict, dan heeft de houder een meldplicht.


Als deze stap wordt gezet, is er vanzelfsprekend nog steeds geen sprake van ‘schuld’ van de beroepskracht over wie het vermoeden is geuit: ‘beschuldigd’ staat niet gelijk aan schuldig.


In geval van een reëel vermoeden neemt de houder, naast het doen van aangifte, de volgende maatregelen:

a.    Stelt de beroepskracht in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief;

b.    Het aanleggen van een draaiboek;

c.    Raadplegen Veilig Thuis en/of lokale GGD;

d.    Het regelen van opvang van kind(eren) en ouders.


a.    Stelt de beroepskracht in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief

In geval van een reeel vermoeden van een mogelijk geweld- of zedenmisdrijf, wordt de betreffende betrokken persoon in ieder geval voor de duur van het onderzoek op non-actief gesteld.

In het geval dat het een gastouder betreft, is meestal geen sprake van een arbeidsrelatie tussen gastouder en gastouderbureau. De houder dient, omdat het een vermoeden betreft, maatregelen te treffen die er voor zorgen dat de betreffende gastouder gedurende het onderzoek geen kinderen opvangt. Daarnaast dienen de maatregelen zodanig te zijn dat een gastouder eveneens gerehabiliteerd kan worden indien uit het onderzoek van de politie blijkt dat de vermoedens niet juist zijn. Ook is het van belang mee te nemen dat een gastouder bij meerdere gastouderbureaus kan zijn ingeschreven.

Bovenstaand geldt ook voor een vrijwilliger binnen de kinderopvangvoorziening.


a.b.   Draaiboek aanleggen

         De houder, of degene die in opdracht van de houder met deze taak belast is, draagt zorg

         voor een zorgvuldige procedure en legt een draaiboek aan. In de handleiding staan

         handvatten

         voor het aanleggen van een draaiboek (hoofdstuk 8.5).


c.      Raadplegen Veilig Thuis en/of GGD

         Veilig Thuis kan de kinderopvangorganisatie adviseren en ondersteuning bieden. Ook de

         GGD kan worden geraadpleegd. Voor adressen van de lokale GGD zie de sociale kaart in

         deze meldcode (onderdeel V).


d.      Het regelen van opvang voor kind(eren) en ouders

         •     Voor de ondersteuning voor het kind en de ouders kan een beroep worden gedaan op

              een instelling als de GGD of Veilig Thuis. (Het calamiteitenteam van) GGD is

              eengespecialiseerd in het begeleiden van organisaties bij calamiteiten. In overleg met

              eenouders en GGD en/of Veilig Thuis, wordt bezien of de opvang in de

              eenkinderopvangorganisatie kan worden gecontinueerd dan wel dat er een andere

              eenoplossing moet worden geboden.

         •     De kinderopvangorganisatie informeert ouders over de mogelijkheid aangifte te doen

              bij de politie.

         •     De houder of directie houdt contact, toont betrokkenheid en informeert de ouders

              regelmatig over de voortgang van het onderzoek en andere zaken die voor de ouders

              van belang zijn.

         •     De ouders van de overige kinderen moeten geïnformeerd worden. Er kan gekozen

              worden om kinderen elders onder te brengen. Veilig Thuis kan worden ingeschakeld

              voor advies hoe bijvoorbeeld te handelen met de eigen kinderen van de

              beroepskracht.


Na het doen van aangifte stelt de politie in de regel een onderzoek in. De politie voert gesprekken met alle betrokkenen. Het initiatief voor het instellen van een onderzoek ligt bij de politie. De houder en directie dienen het onderzoek van de politie te volgen en zelf geen stappen te ondernemen die indruisen tegen de bewijslast van de politie.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 4: Handelen naar aanleiding van het onderzoek van de politie


Het onderzoek van de politie kan leiden tot verschillende uitkomsten. Afhankelijk van deze uitkomsten heeft de houder, directie of leidinggevende verschillende mogelijkheden om te handelen.


a.    Rehabilitatie van beroepskracht6;

b.    Waarschuwing afgeven;

c.    Arbeidsrechtelijke maatregelen.


_____________________________________________

6 Hier kan ook gastouder of vrijwilliger worden gelezen

_____________________________________________


a.    Rehabilitatie beroepskracht

       De politie kan op grond van het verrichte onderzoek constateren dat er geen aanleiding is

       om aan te nemen dat sprake is van een geweld- of zedendelict. De betrokken

       beroepskracht, die voor de duur van het onderzoek geschorst of op non-actief was gesteld,

       wordt door de houder of directie van de organisatie in zijn functie in ere hersteld. In een

       dergelijke situatie moeten het belang van de beroepskracht en het algemeen belang worden

       afgewogen en zou het bijvoorbeeld wenselijk kunnen zijn de betreffende beroepskracht

       binnen de kinderopvangorganisatie over te plaatsen.

       Indien na het onderzoek van de politie blijkt dat er een klacht is ingediend op valse

       gronden, kan de directie de betrokken beroepskracht een rehabilitatietraject aanbieden. De

       directie kan dan tevens maatregelen nemen tegen degene, die valselijk een beschuldiging

       heeft geuit. Dit kan variëren van de eis dat excuses worden aangeboden, tot schorsing of

       tot verwijdering.


b.    Waarschuwing afgeven

       De houder of directie kan besluiten tot het geven van een schriftelijke waarschuwing, met

       de mededeling dat herhaling van het ongewenste gedrag arbeidsrechtelijke gevolgen heeft.

       Die waarschuwing kan dan worden opgenomen in het personeelsdossier.


c.    Arbeidsrechtelijke maatregelen

       Wanneer de houder of directie constateert dat op grond van het verrichte onderzoek van de

       politie aanleiding is om aan te nemen dat kindermishandeling heeft plaatsgevonden, neemt

       de directie maatregelen van arbeidsrechtelijke aard, zoals ontslag wegens een dringende

       reden op grond van art. 677 en art. 678 boek 7 BW, of ontbinding van de

       arbeidsovereenkomst via de kantonrechter (art. 685 boek 7 BW).


       In het geval dat het een gastouder betreft, dient de overeenkomst tussen het

       gastouderbureau en de gastouder per direct te worden beëindigd, evenals de overeenkomst

       tussen de gastouder en ouder. In geval er een arbeidsovereenkomst bestaat tussen de

       gastouder en ouder, dan geldt ontslag zoals boven beschreven.

       In het geval dat het een vrijwilliger betreft, wordt de samenwerking per direct opgezegd.


Alle beslissingen worden zorgvuldig afgewogen en zorgvuldig geregistreerd door de houder of directie.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 5: Nazorg bieden en evalueren


Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie nazorg biedt aan alle betrokkenen. Ook het evalueren van de genomen stappen is belangrijk om in mogelijke toekomstige situaties adequaat te kunnen handelen.


Nazorg

Nazorg aan betrokken ouders en hun kinderen kan geboden worden door middel van ouderavonden, het uitnodigen van deskundigen daarbij of specifieke doorverwijzing. De kinderopvangorganisatie kan zich hier in laten adviseren door de GGD. Zie hiervoor hoofdstuk 7.5 uit de handleiding. Voor de kinderen kan als dit nodig is, of als de ouders van de kinderen dit nodig achten extra hulp worden ingezet.


Het is belangrijk om bijzondere aandacht te hebben voor de psychische belasting van de overige beroepskrachten naar aanleiding van bovenstaand traject. Wanneer er getuigen zijn onder de beroepskrachten kan met hen apart worden besproken wat nodig is om het gebeurde te verwerken. Bij hen kunnen gevoelens van onmacht, verdriet, schaamte en schuldgevoel een rol spelen. Andere beroepskrachten kunnen ook kampen met deze gevoelens. Hier kan aandacht aan worden besteed in de teamoverleggen en daar waar nodig ook individueel.


Als binnen een kinderopvangorganisatie een incident plaatsvindt, is de kans groot dat ook de media hier van op de hoogte raken. Het is verstandig van tevoren zorgvuldig te overwegen hoe er wordt omgegaan met de pers (zie bijlage 6 van de handleiding).


Evalueren

Het is belangrijk het gehele proces en de verschillende stappen te evalueren. Dit is de verantwoordelijkheid van houder of directie.

•    De houder of directie evalueert met medewerkers dat wat er gebeurd is en de

   procedures die zijn gevolgd.

•    Zo nodig wordt de zaak doorgesproken met andere betrokkenen.

•    Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.

•    Geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het vermoeden van kindermishandeling

   worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard.

•    Blijf alert op signalen. Mogelijk zijn er meer slachtoffers.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


III. Route bij signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling



Stap 1:    In kaart brengen van signalen

                 De beroepskracht:

                 •    observeert;

                 •    raadpleegt signalenlijst (bijlage 1 en 2 uit de handleiding);

                 •    bespreekt signalen met collega’s en de leidinggevende;

                 •    registreert.


Stap 2:    Melden van het gedrag bij leidinggevende

                 De beroepskracht:

                 •    meldt het gedrag bij leidinggevende;

                 •    brengt de ouders van de betrokken kinderen op de hoogte.


Stap 3:    Beoordelen ernst van het gedrag

                 De leidinggevende:

                 •    raadpleegt Veilig Thuis en/of GGD;

                 •    gaat in gesprek met ouders van zowel het kind dat gedrag vertoont als met de

                     ouders van de kinderen die met het gedrag geconfronteerd worden over het

                     gedrag;

                 •    taxeert de ernst van het gedrag;

                 •    licht seksueel grensoverschrijdend gedrag: bespreken in het team, inschakelen

                     externe hulp niet nodig;

                 •    matig seksueel grensoverschrijdend gedrag: waarschuwing, inschakelen hulp;

                 •    ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag: direct ingrijpen vereist,

                     maatregelen conform stap 4;

                 •    registreert in het kinddossier.


Stap 4:    Maatregelen nemen

                 De directie:

                 •    stelt een intern onderzoek in;

                 •    schakelt experts in zoals GGD en Veilig Thuis;

                 •    organiseert zorg voor kinderen en ouders;

                 •    gaat in gesprek met ouders van kind dat gedrag vertoont én met de ouders van

                     kinderen die geconfronteerd werden met het gedrag over de te nemen

                     maatregelen.


Stap 5:    Handelen

                 De directie:

                 •    beslist naar aanleiding van het onderzoek over de opvang van het kind dat het

                     gedrag heeft vertoond.


Stap 6:    Nazorg bieden en evalueren

                 De directie:

                 •    biedt nazorg voor ouders, kinderen en beroepskrachten;

                 •    organiseert ouderavonden;

                 •    verwijst door naar externe hulp;

                 •    evalueert de procedures en registreert.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Route bij signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling


Stap 1: In kaart brengen van signalen


Wanneer er signalen zijn dat een kind of meerdere kinderen seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben vertoond en dat een ander kind hier mee geconfronteerd is of slachtoffer van is geworden, is het belangrijk dat deze signalen in kaart worden gebracht en goed geïnterpreteerd worden. Soms zal iets vrij duidelijk zijn aan te merken als ontoelaatbare handeling, maar vaker zal het gaan om minder duidelijke signalen die niet direct te duiden zijn.


Het is belangrijk om deze signalen serieus te nemen. De beroepskrachten kunnen met elkaar onderzoeken wat zij bij de kinderen merken. Door met collega’s te overleggen en van gedachten te wisselen, kan een signaal beter worden beoordeeld. De volgende acties kunnen helpen de signalen te onderbouwen:


•    Raadpleeg de signalenlijst uit de handleiding (zie bijlage 1 en 2).

•    Bespreek de signalen met collega’s of de bemiddelingswerker, aandachtsfunctionaris,

   leidinggevende of gedragswetenschapper.

•    Vraag een gesprek aan met de leidinggevende.


Leg de mogelijke signalen vast in het kinddossier. Zie hiervoor in de handleiding hoofdstuk 8.5.

Als de beroepskracht vervolgens twijfelt of concludeert dat er sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan is het belangrijk dit te melden bij de leidinggevende conform stap 2.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 2: Melden van het gedrag


Wanneer de beroepskracht signalen heeft dat een kind of meerdere kinderen seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben vertoond en dat een ander kind hiermee geconfronteerd is of slachtoffer van is geworden, dan is het belangrijk dit te melden bij de leidinggevende.


De ouders van de kinderen die het gedrag vertonen of ermee zijn geconfronteerd moeten op de hoogte worden gebracht.

Het is belangrijk dat de kinderopvangorganisatie alles goed registreert in een kinddossier (zie hoofdstuk 8.5 uit de handleiding). Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen, dienen schriftelijk te worden vastgelegd.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 3: Beoordelen ernst van het gedrag


De leidinggevende is in overleg met de directie verantwoordelijk voor een eerste beoordeling van de voorgelegde situatie. Daarbij zal in het algemeen de beroepskracht die het gedrag heeft gemeld, gehoord worden en eventueel collega’s. Ook Veilig Thuis, CJG, ZAT of de GGD kan hiervoor worden ingeschakeld. Hierbij wordt de ernst van het gedrag bepaald.


Wanneer wordt geconstateerd dat er geen sprake is van leeftijdsadequaat gezond gedrag, wordt gecategoriseerd hoe ernstig het gedrag is. Bij alle vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dienen de ouders van zowel het kind dat het gedrag vertoont als het kind dat met het gedrag is geconfronteerd, te worden geïnformeerd. Daarnaast dient bij alle vormen gekeken te worden of het seksueel overschrijdende gedrag een signaal is van onderliggende problematiek.


Er kan geconstateerd worden dat er sprake is van:

•    licht seksueel grensoverschrijdend gedrag;

•    matig seksueel grensoverschrijdend gedrag;

•    ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag.


Licht seksueel grensoverschrijdend gedrag kan worden gezien als een noodzakelijke stap om normen en waarden te leren kennen en zal bij veel kinderen op bepaalde momenten in de ontwikkeling voorkomen. Het is nodig dat de beroepskracht dit gedrag begrenst, hierop reageert en bespreekt met ouders.


Matig seksueel grensoverschrijdend gedrag is ontoelaatbaar; het is belangrijk om een duidelijk verbod in te stellen. Aan het kind moet uitgelegd worden dat dit gedrag niet mag en er moet worden uitgelegd waarom dit niet mag. De betrokken kinderen kunnen in de groep geobserveerd worden. Belangrijk is dat er met de kinderen gecommuniceerd blijft worden en dat ouders actief betrokken worden. De leidinggevende overlegt met Veilig Thuis of een gedragswetenschapper of externe hulpverlening of advies noodzakelijk is.


Ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag vereist dat er direct wordt ingegrepen. Er moeten maatregelen genomen worden die kunnen garanderen dat het gedrag niet meer kan voorvallen. De directie dient ingelicht te worden om verdere stappen te kunnen ondernemen, ook omdat de directie eindverantwoordelijk is voor alle interne en externe communicatie. Bij ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag dient stap 4 te worden ingezet.


Ook voor deze stap geldt, dat alle signalen en stappen goed vastgelegd worden in het kinddossier.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 4: Maatregelen nemen


De directie bepaalt welke maatregelen genomen moeten worden wanneer er sprake is van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag.


De volgende maatregelen kunnen worden genomen:


a.      Het instellen van een intern onderzoek. Het is belangrijk nauw samen te werken met

       expertorganisaties zoals Veilig Thuis, het zorgadviesteam en de GGD. Bij ernstige zaken is

       het aan te bevelen een onderzoeksteam te vormen waar vertegenwoordigers van de

       kinderopvangorganisatie en externe deskundigen deel van kunnen uitmaken. Dit

       onderzoeksteam kan het incident onderzoeken en de directie advies geven hoe te handelen.

       Het aanleggen van een draaiboek kan structuur bieden bij de uitvoer van het onderzoek. In

       de handleiding staan handvatten voor het aanleggen van een draaiboek (hoofdstuk 8.5).


b.    Het regelen van ondersteuning van het kind en ouders.


c.    Aanbieden van excuses voor falend toezicht/onveilige situatie vanuit de kinderopvang.

       Hierbij wordt tevens aangegeven dat onderzocht wordt hoe verbeteringen binnen de

       kinderopvangorganisatie kunnen worden doorgevoerd om mogelijke herhaling te

       voorkomen.

d.    Aanbieden van opvang en professionele hulp voor alle kinderen en hun ouders die op welke

       wijze dan ook betrokken zijn geweest bij het grensoverschrijdende seksuele gedrag.

       Emotionele begeleiding van de direct betrokken ouders is noodzakelijk.


e.    Indien een kind seksueel grensoverschrijdende handelingen heeft uitgevoerd bij een ander

       kind dan is het belangrijk gesprekken te voeren met beide partijen ouders en gezamenlijk te

       komen tot oplossingen. Creëer van beide partijen ouders 'bezorgde ouders' en zoek naar

       een gezamenlijk belang. De kinderopvangorganisatie vertegenwoordigt de belangen van alle

       kinderen. Dat kan betekenen dat de kinderopvangorganisatie beslissingen neemt die één

       van beide partijen niet zint. De kinderopvangorganisatie kan tegen het volgende dilemma

       oplopen: gaat een kind van de kinderopvang af of niet? En is dat op basis van een besluit

       van de kinderopvangorganisatie of van de ouders (opzeggen plaatsingsovereenkomst)?

       Belangrijk is de ouders altijd te informeren over de gemaakte keuze en deze te

       beargumenteren.


f.     Afscherming van het kind dat het grensoverschrijdende gedrag heeft vertoond.


De leidinggevende en/of directeur draagt zorg voor een zorgvuldige procedure en registreert dit in het betreffende dossier.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 5: Handelen


De beoordeling van het incident en het advies uit het (eventuele) interne onderzoek kunnen leiden tot verschillende uitkomsten. Afhankelijk van deze uitkomsten heeft de directie verschillende mogelijkheden om te handelen richting het kind dat het seksueel grensoverschrijdende gedrag heeft vertoond.


a.    Het kind blijft op de groep;

b.    Het kind gaat naar een andere groep, andere locatie of andere kinderopvangorganisatie;

c.    Het inzetten van hulp;

d.    Melding bij Veilig Thuis.


a.    Het kind blijft op de groep

       Wanneer de directie constateert dat op grond van het verrichte onderzoek geen aanleiding

       is aan te nemen dat het gedrag zich zal herhalen of dat de aanwezigheid van het kind

       bedreigend is voor andere kinderen kan, in overleg met betrokken ouders, besloten worden

       het kind binnen de betreffende groep van de kinderopvangorganisatie te laten.


b.    Het kind gaat naar een andere groep of kinderopvangorganisatie

       De directie kan besluiten dat het in het belang is van het kind en/of de kinderen die met het

       gedrag geconfronteerd zijn, dat het kind naar een andere groep binnen de betreffende

       kinderopvangorganisatie, naar een andere locatie of naar een geheel andere

       kinderopvangorganisatie gaat. De directie kan hierin de ouders adviseren en eventueel

       contact opnemen met een andere kinderopvangorganisatie. Ook kunnen ouders zelf de

       conclusie trekken dat hun kind naar een andere locatie of kinderopvangorganisatie gaat.


c.    Het inzetten van hulp

       Met advies van Veilig Thuis en in overleg met de ouders kan hulpverlening voor het kind

       worden ingezet.


d.    Melding bij Veilig Thuis

       De directie doet een melding bij Veilig Thuis. Het gedrag van het kind kan namelijk ook op

       andere problematiek wijzen.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Stap 6: Nazorg bieden en evalueren


Aanbevolen wordt het personeel persoonlijk te informeren. Daarnaast kunnen alle betrokkenen zo spoedig mogelijk over het seksueel overschrijdende gedrag op de hoogte worden gebracht middels een brief of een gezamenlijke (ouder)bijeenkomst. De directeur is verantwoordelijk voor de nazorg en de evaluatie.


Er kan informatie worden gegeven over de concrete maatregelen die getroffen zijn ten aanzien van het kind of de kinderen die met het gedrag geconfronteerd werden. Ook kan aangegeven worden welke concrete maatregelen er ten aan zien van het kind dat het gedrag vertoonde genomen zijn en het verdere verloop van het onderzoek.


Als bij een kinderopvangorganisatie een incident plaatsvindt, is er een kans dat ook de media hiervan op de hoogte raken. Het is verstandig van tevoren zorgvuldig te overwegen hoe hiermee zal worden omgegaan (zie bijlage 6 van de handleiding).


Het is belangrijk het gehele proces en de verschillende stappen te evalueren.

•    De directeur evalueert met beroepskrachten en eventueel andere betrokkenen wat er is

   gebeurd en de procedures die zijn gevolgd.

•    Zo nodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen.

•    Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.

•    Geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het seksueel grensoverschrijdend gedrag

   worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


IV. Verantwoordelijkheden in het scheppen van randvoorwaarden voor een veilig werk- en meldklimaat


Om het voor beroepskrachten / gastouders mogelijk te maken in een veilig werkklimaat huiselijk geweld en kindermishandeling te signaleren en de stappen van de meldcode te kunnen zetten, draagt Gastouderbureau Westland er zorg voor dat:


De houder of directie:

•    de meldcode opneemt in het veiligheids- of gezondheidsbeleid van de

    inderopvangorganisatie;

•    een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling (mogelijk de direct

    leidinggevende of bemiddelingsmedewerker) aanstelt;

•    de deskundigheidsbevordering opneemt in het scholingsplan;

•    regelmatig trainingen en andere vormen van deskundigheidsbevordering aanbiedt aan

    beroepskrachten, zodat zij voldoende kennis en vaardigheden ontwikkelen en ook op peil

    houden voor het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor het zetten

    van de stappen van de meldcode;

•    de meldcode en bijbehorende routes laat aansluiten op de werkprocessen binnen de

   kinderopvangorganisatie;

•    ervoor zorgt dat er voldoende deskundigen intern en extern beschikbaar zijn om de

    beroepskrachten te kunnen ondersteunen bij het signaleren en het zetten van de stappen

    van de meldcode;

•    de werking van de meldcode regelmatig evalueert en zo nodig acties in gang zet om de

    toepassing van de meldcode te optimaliseren;

•    binnen de kinderopvangorganisatie en in de kring van ouders bekendheid geeft aan het doel

•    en de inhoud van de meldcode;

•    afspraken maakt over de wijze waarop Gastouderbureau Westland haar beroepskrachten zal

   ondersteunen als zij door ouders in of buiten rechte worden aangesproken op de wijze

    waarop zij de meldcode toepassen;

•    afspraken maakt over de wijze waarop Gastouderbureau Westland de verantwoordelijkheid

    opschaalt indien de signalering en verwijzing voor een kind stagneert;

•    eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de meldcode;

•    investeert in de opleidingen voor aankomend beroepsbeoefenaren: zorgt voor kennis en

   vaardigheden inzake het herkennen van en omgaan met een vermoeden van seksueel

   misbruik, waarbij de ontwikkeling van de seksualiteit van kinderen en het bespreekbaar

   maken van de eigen normen en waarden aan de orde komt;

•    investeert in nascholing van zittend personeel in de kinderopvangorganisatie

    (staf/management en beroepskrachten): zorgt voor kennis en vaardigheden inzake het

   herkennen van en omgaan met een vermoeden van seksueel misbruik, waarbij de

   ontwikkeling van de seksualiteit van kinderen en het bespreekbaar maken van de eigen

   normen en waarden aan de orde komt;

•    investeert in een open aanspreekcultuur binnen kinderopvangorganisaties: zorgt voor een

   open cultuur waarbinnen op professionele wijze reflectie op normen en waarden, werkwijze

    en handelen plaatsvindt;      

•    investeert in een goede ‘zorgstructuur’ binnen kinderopvangorganisaties: zorgt voor

    voldoende lucht in teams, vertrouwenspersonen, vertrouwenscommissie (als van

    toepassing), structurele agendering, bij- en nascholing, etc.


de direct leidinggevende / bemiddelingswerker / senior pedagogisch medewerker:

•    als aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling is aangesteld;

•    als vraagbaak functioneert binnen de kinderopvangorganisatie voor algemene informatie

    over (de meldcode) kindermishandeling;

•    signalen herkent die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld;

•    kennis heeft van de stappen volgens de meldcode;

•    taken vaststelt van een ieder (wie doet wat wanneer) en deze in de meldcode vastlegt;

•    de sociale kaart in de meldcode invult;

•    deelneemt aan het zorgadviesteam (indien dit beschikbaar is);

•    de aansluiting van de meldcode op de werkprocessen uitvoert;

•    de aansluiting van de meldcode op de zorgstructuur uitvoert;

•    samenwerkingsafspraken vastlegt met ketenpartners;

•    de uitvoering van de meldcode coördineert bij een vermoeden van huiselijk geweld en/of

    kindermishandeling;

•    waakt over de veiligheid van het kind bij het nemen van beslissingen;

•    zo nodig contact opneemt met Veilig Thuis voor advies of melding;

•    de genomen stappen evalueert met betrokkenen;

•    toeziet op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin;

•    toeziet op dossiervorming en verslaglegging.


de beroepskracht / gastouder:

•    signalen herkent die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld;

•    overlegt met de direct leidinggevende of bemiddelingsmedewerker bij zorg over een kind

    aan de hand van waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling of

    huiselijk geweld;

•    afspraken uitvoert die zijn voortgekomen uit het overleg met de direct leidinggevende of

    bemiddelingsmedewerker, zoals observeren of een gesprek met de ouder;

•    de resultaten bespreekt van deze ondernomen stappen met de direct leidinggevende of

   bemiddelingsmedewerker.


de houder, directie, de leidinggevend, , de beroepskrachten en gastouders zijn niet verantwoordelijk voor:

•    het vaststellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld;

•    het verlenen van professionele hulp aan ouder of kind (begeleiding).


--------------------------------------------------------------------------------------------------------


V. Sociale kaart


Het is belangrijk om de sociale kaart zo volledig mogelijk in te vullen met de organisaties en instanties van de regio waar uw kinderopvangorganisatie gevestigd is en dit op een zichtbare plaats voor alle beroepskrachten beschikbaar te stellen.


Sociale kaart van Gastouderbureau Westland